De Energiewende in Duitsland:

Het laatste nieuws over Typhoon:

Vul je emailadres in en ontvang een melding van nieuwe berichten.

Fibronot browser support

Firefox4+  Chrome  Safari  Opera  IE9+

Deskundigen

Deskundigen

Wat zeggen de deskundigen?

De Universiteit Wageningen heeft in een rapport wat beoordelingscriteria staan over mestverbranding.

Deskundigen

Over punt 1, de technische haalbaarheid, valt te discussiëren.
Bij de voorstanders van FibroNed staat vast dat dit project technisch haalbaar is. De drie mestverbranders van FibroWatt in Engeland en de mestverbrander FibroMinn in de VS tonen immers technisch gezien aan dat je kippenmest kunt verbranden.
Maar dan heb je het alleen over de techniek van het verbranden.
Dat er nogal eens wat in de brander en het afvoergedeelte kapot gaat door de agressieve gassen zal niemand je vertellen.
Of het milieutechnisch gezien allemaal haalbaar is, valt nog te bezien.

Over punt 2, de financiële haalbaarheid zijn weinig twijfels meer. De vele faillissementen die er in deze mestverbrandingswereld hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden tonen aan dat het allemaal niet zo gemakkelijk gaat als van te voren werd aangenomen.
Het feit dat zonder overheidssubsidie geen normale bedrijfsvoering mogelijk is, zegt genoeg.
De stortingskosten van € 5 per geleverde ton kippenmest, die enkele jaren geleden door FibroNed aan kippenfokkers in het voorruitzicht zijn gesteld, zijn in vergelijking met bedragen die hun collega’s elders moeten betalen, onvoorstelbaar laag.

Wat zegt de beheerder van de Biomassacentrale BMC, in Moerdijk, Freddy Meesters, over de financiële haalbaarheid?

“Financieel kun je niet concurreren met gewone, ‘grijze’ stroom. Het is voorlopig alleen rendabel te maken met overheidssubsidie.” Die krijgt de BMC: 9,7 eurocent per geleverde kilowattuur.

Over punt 3, de maatschappelijke haalbaarheid, kunnen we kort zijn en hoeven we niet moeilijk te doen. Er is in Apeldoorn en omgeving geen draagvlak onder de bevolking te vinden.

Punt 4, de duurzaamheid is een interessant punt.

De toenmalige Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Drs. P.L.B.A. van Geel, schreef op 20 maart 2006, dus ruim een jaar na het verwerpen van de milieuvergunning door de Raad van State, in een brief de volgende duidelijk taal. Hij zegt dat de verbranding van kippenmest niet duurzaam is en dat pluiveemestverbranding als primair doel heeft het wegwerken van mestoverschotten van de huidige veestapel.

“Ik onderschrijf uw stelling dat verbranding van kippenmest niet duurzaam is. De intensieve pluimveehouderij is niet duurzaam, zolang de mineralenkringloop niet is gesloten en er miljoenen tonnen diervoeders van buiten Europa worden aangevoerd, waarbij grote hoeveelheden mineralen van elders worden onttrokken aan landbouwgrond.

Gegeven de huidige situatie van mestoverschotten en de verwachting dat deze mestoverschotten de komende jaren verder zullen gaan toenemen, heeft pluimveemestverbranding inderdaad als primair doel het wegwerken van mestoverschotten van de huidige veestapel. De verwachte toename van de
mestoverschotten wordt primair veroorzaakt door het gegeven dat er in 2015, conform de Meststoffenwet, sprake moet zijn van fosfaatevenwichtsbemesting in de Nederlandse landbouw.

Fosfaatevenwichtsbemesting is noodzakelijk om de verdere ophoping van fosfaat in de bodem te voorkomen en de milieudoelen van de Europese Kaderrichtlijn Water te kunnen realiseren. Gegeven de afnemende plaatsingsruimte en hoge fosfaatgehalten in kippenmest is er steeds minder vraag naar de directe toepassing van kippenmest als meststof in de landbouw: Boeren geven de voorkeur aan de toepassing van rundveemest en (via co-vergisting bewerkte) varkensmest.

Volgens de ladder van Lansink is afvalverbranding ten opzichte van preventie en hergebruik inderdaad een minder duurzame oplossing om de huidige problemen met de mestoverschotten op te lossen. Dit geldt dus ook voor de verbranding van (fosfaatrijke) kippenmest. Het zou duurzamer zijn als deze mestoverschotten worden verwerkt tot mestproducten welke worden geëxporteerd naar die gebieden waar de mineralen (ten behoeve van veevoer) worden onttrokken aan landbouwgrond. Nog duurzamer zou zijn als de mestproductie binnen Noordwest Europa als meststof wordt aangewend om veevoeders te telen, en er geen veevoeders (en kunstmestproducten) meer van buiten de (Noordwest Europese) regio worden aangevoerd. Helaas is de huidige situatie nog ver weg van dit ideaalbeeld.

Hoogachtend,
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Drs. P.L.B.A. van Geel

Duidelijke taal dus, waarbij twee punten opvallen, namelijk dat de invoer van miljoenen tonnen kippenvoer uit het buitenland, in feite roofbouw voor die landen betekent. Er worden op een onvoorstelbare manier zeer grote hoeveelheden mineralen uit de landbouwgronden onttrokken, en schrijft hij verder, dat pluimveemestverbranding inderdaad als primair doel het wegwerken van mestoverschotten van de huidige veestapel heeft.

In het schrijven van de Staatssecretaris hierboven wordt de Ladder van Lansink genoemd.

De Ladder van Lansink is een standaard op het gebied van afvalbeheer. De standaard is genoemd naar de Nederlandse politicus Ad Lansink, die in 1979 in de Tweede Kamer een motie voor deze werkwijze indiende.

Het afvalbeleid is erop gericht prioriteit te geven aan de meest milieuvriendelijke verwerkingswijzen. Deze staan bovenaan de ‘ladder’. Het beleid van de overheid moet erop gericht zijn zo veel mogelijk afval de Ladder van Lansink te laten ‘beklimmen’. In de praktijk betekent dit dat altijd zal worden gekeken of een bepaalde stap gerealiseerd kan worden. Pas indien dit niet het geval is zal een volgende stap in aanmerking komen.

De Ladder van Lansink is opgebouwd uit de volgende ‘treden’:

  • preventie
  • hergebruik (recycling)
  • verbranden
  • storten

In het Landelijk afvalbeheerplan 2002 – 2012 (LAP) is de indeling verfijnd:

  • kwantitatieve preventie: het ontstaan van afvalstoffen wordt voorkomen of beperkt
  • kwalitatieve preventie: bij het vervaardigen van stoffen, preparaten of andere producten wordt gebruik gemaakt van stoffen en materialen die na gebruik van het product geen of zo min mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken
  • nuttige toepassing door producthergebruik: stoffen, preparaten, of andere producten worden na gebruik als zodanig opnieuw gebruikt
  • nuttige toepassing door materiaalhergebruik: stoffen en materialen waaruit een product bestaat worden na gebruik van het product opnieuw gebruikt
  • nuttige toepassing als brandstof: afvalstoffen worden toegepast met een hoofdgebruik als brandstof of voor een andere wijze van energieopwekking
  • verbranden als vorm van verwijdering: afvalstoffen worden verwijderd door deze te verbranden op het land
  • storten: afvalstoffen worden gestort

Het is duidelijk dat volgens dit Landelijk afvalbeheerplan 2002 – 2012 de kippenmestverbrander van FibroNed een lage plaats inneemt en zeker niet gezien wordt als de meest milieuvriendelijke manier om kippenmest te verwijderen.


De mestverbrander BMC op het industrieterrein van Moerdijk.

In aansluiting op het bovenstaande komt de bedrijfsleider van de BMC aan het woord.
In een artikel in het dagblad De Stem in november 2008 zegt hij:

Kippenmest verbrandt niet goed genoeg

MOERDIJK – Het goede nieuws is dat de nieuwe biomassacentrale BMC op industrieterrein Moerdijk meer stroom produceert dan was verwacht.

Het slechte nieuws is dat de kippenmest niet altijd even goed brandt.

“Dat verschilt van vracht tot vracht, maar de ene keer zit er teveel zand door de mest, een andere keer teveel kalk (grit) en soms is de mest te nat. En zand, kalk en water branden niet, dus als er zo’n vracht tussendoor komt, stokt de elektriciteitsproductie”, schetst bedrijfsleider Freddy Meesters van BMC het probleem.


De woordvoerder van FibroNed, dat een duidelijk tegenstander van vergisting is, zegt over mestvergisting het volgende:

Daarnaast heeft kippenmest nog enkele nadelen voor de vergisting: hoog stikstofgehalte (problemen voor de vergisting) en het grit (kalk) zakt uit in de vergisting en geeft problemen met verstoppingen, ketelsteen aanslag e.d.

De bedrijfsleider van BMC zegt dat kippenmest slecht brandt vanwege onder andere de kalk (grit) die erin zit.

Dus zowel bij verbranding als bij vergisting zit de kippengrit in de weg!

De oplossing ligt dus bij de kippenfokkers die het gebruik van grit moeten beperken.
Er is dan vergisten mogelijk, want de grootste beperking is dan opgeheven, FibroNed kan dan niet meer tegen mestvergisting zijn en de bedrijfsleider van BMC kan rustig verder branden.

Overigens ligt de mestverbrander in het industriegebied Moerdijk op ruim 5 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde woonkernen Zevenbergen en Klundert, terwijl FibroNed tegen de bebouwing van Apeldoorn aan wil bouwen. Binnen een straal van 5 kilometer rondom FibroNed wonen meer dan 100.000 mensen.


Het RIVM zegt over dioxine:

“Dioxines zijn bijzonder stabiel en immobiel in de bodem. Biologische en chemische afbraak zijn niet bekend of zeer traag. Mogelijk dat fotochemische afbraak een rol kan spelen, maar dan alleen voor de bovenste millimeters van de bodem. Omdat dioxines bijzonder hydrofobe stoffen zijn vindt ook geen transport met infiltrerend regenwater (uitspoeling) plaats en zullen de dioxines zich permanent ophouden in de bovenste centimeters van de bodem. Alleen verdamping kan enigszins tot afname van gehalten leiden. Als gevolg hiervan zijn halfwaardetijden in de bodem van één tot enkele tientallen jaren gerapporteerd”.


“Duurzaamheid is de uitdaging voor de toekomst”

Volgens prof. dr. Willem Vermeend, die de geschiedenis in zal gaan als de bedenker van ons huidige belastingstelsel met drie boxen, biedt deze tijd echte ondernemers volop kansen.
‘Ondernemen. Juist nu!’, met die slogan is hij het helemaal eens.
Vermeend schreef een boek, getiteld ‘De Kredietcrisis’, met daarin veel ruimte voor duurzaamheid.
Het blad De Ondernemer besteedde er in februari 2009 uitvoerig aandacht aan.
Van het online magazine Ondernemenjuistnu de volgende citaten uit het boek van Willem Vermeend:

Wat kan het bedrijfsleven doen?

Vermeend: Veel meer investeren in duurzame energie. Zorgen dat we minder afhankelijk worden van Russisch gas en van olie van Arabische sjeiks. Vergeet ook niet dat die voorraden een keer opraken.

Dan heb je drie opties: “biomassa (zou ik niet doen, is beperkt en omstreden), zonnepanelen en windenergie. De twee laatste bieden enorme mogelijkheden.”

“Zonnepanelen werken op lichtintensiteit en dat is er in ons land genoeg. Over vijftig jaar zouden we 20, 25 procent van onze energievoorziening daaruit moeten halen. Dat kan ook, als alle provincies meewerken en parken voor energiewinning uit licht aanleggen. Met tien man kun je in één maand een opbrengst van 1 megawatt realiseren! En in nieuwbouwprojecten kunnen we daken maken waarin zonnecellen geïntegreerd zijn. Daar kun je allemaal morgen mee beginnen, want daar gelden geen procedures voor.”

En hoe zit het met windenergie?

Vermeend: ”Het is raar dat we daar jarenlang over praten en niets doen, maar wel op een namiddag willen besluiten de steenkolenmijnen weer open te gooien. Windparken in het landschap hebben volgens mij niet veel zin. De ruimte en dus de opbrengst is daarvoor te beperkt. Op zee dus, maar niet vlak voor de kust. Er moeten zeewindturbines worden ontwikkeld die ver in de Noordzee kunnen worden geplaatst. De technologie is voorhanden, maar ze bestaan niet. Zulke turbines die onder omstandigheden op zee lang mee kunnen en zes tot tien megawatt per stuk kunnen leveren, zouden een duurzame oplossing betekenen. De kennis is er, maar er moet in worden geïnvesteerd.”


Prof. dr. ir. Frans W. Sluijter, emeritus-hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven, schrijft over de problemen bij Econcern het volgende:

Econcern terecht op reservebank

De bij Econcern gesignaleerde problemen met de financiering van duurzame energieprojecten legt onbarmhartig de economische zwakheid van deze projecten bloot. Windenergieprojecten zijn alleen rendabel in een regiem van een gunstig subsidie- en fiscaal klimaat. De investeringen leiden tot productie-eenheden die niet rendabel kunnen produceren. De rekening voor het verschil komt linksom of rechtsom bij de burgers.

Econcern beklaagt zich ook over het instorten van de prijs van CO2-emissierechten. Dat hele stelsel is natuurlijk ook onzinnig omdat het op geen enkele manier bijdraagt tot de vermindering van de totale emissie, maar alleen tot een herschikking van die emissie over de emitterende partijen.

Als we ons werkelijk zorgen maken over de CO2-emissie en over de prijs van elektriciteit moeten we een voorbeeld nemen aan Frankrijk. Daar wordt nu in Flamanville (Normandië) aan een nieuwe kerncentrale gebouwd met een vermogen van 1650 megawatt. Deze levert vanaf 2012 een jaarproductie voldoende voor de consumptie van circa 4,2 miljoen Nederlandse huishoudens. Deze investering is wel rendabel. Électricité de France komt op een prijs per kWh van 5,4 eurocent.

EDF voorziet voor 88% van zijn elektriciteitsproductie door kerncentrales. Nog eens 8% is afkomstig van waterkracht. Frankrijk hoefde dan ook niets te doen om aan zijn Kyoto-verplichtingen te voldoen. Dan is het niet verbazingwekkend dat banken en andere financiers nu wat terughoudend zijn bij het nemen van investeringsbeslissingen in een essentieel onrendabele sector, zoals die van Econcern.